JudyHooymeyer

Uit De Naamceremonie

Lees een fragment

Twee fragmenten uit het boek: het begin, waarin Anne haar moeder een vraag stelt, en een hoofdstuk uit het laatste deel, bij grootmoeder Beulah.

Deel 1, Erfgoed van stilte. Hoofdstuk 1, pagina 15 tot 17

‘Ik hoor hier niet,’ zegt Anne, mijn middelste kind, resoluut. Ze kijkt me met haar donkerbruine ogen aan. Haar doorlopende wenkbrauwen, borstels die normaal op en neer gaan als ze praat, staan stil. Doodstil. Ik herken haar steeds terugkerende emoties van de laatste tijd. Het gevoel van leegte en verdriet dat Annes pupillen groter doet worden.

Wat kan ik haar vertellen? Wat moet ik zeggen? Het gaat over? Natuurlijk niet, het gaat niet over. Ik moet niet liegen tegen mijn bloedeigen dochter.

‘Anne. Natuurlijk hoor je hier, je bent hier toch geboren. Dit is je thuis.’ Ik wil haar een knuffel geven. Ze duwt me ruw weg. Ik laat het toe.

‘Je bent niet mijn echte moeder,’ schreeuwt ze in mijn gezicht. Ze draait haar hoofd om. Ik probeer haar te sussen, ik wil niet dat mijn andere twee kinderen wakker worden.

‘Anne, we hebben dezelfde ogen,’ zeg ik en ik wijs op mijn hand, op de moedervlek die daar al zat voordat ik wist wat erfgoed was.

‘Kijk. Dezelfde plek. Jij bent mijn kind.’

Ze kijkt niet naar mijn hand, maar naar mijn gezicht, naar iets wat ze daar niet kan vastzetten. ‘Het voelt toch vreemd,’ zegt ze en haar stem breekt. Niet hard, maar vanbinnen, alsof het verdriet al langer onderweg was. Ze begint zacht te huilen en ik huil met haar mee. Niet omdat ik haar kan troosten, maar omdat ik haar niet kan overtuigen. Terwijl ik tegen haar aan leun, dringt zich een gedachte op die ik liever niet denk: dat zij misschien voelt wat ik zelf zo lang heb gedragen zonder woorden, dat er boven mij een breuk ligt, een onderbreking in de lijn die ‘moeder’ heet. Dat JoAnne niet haar biologische grootmoeder is, en ook niet de vrouw die mij het leven gaf, maar degene die mij heeft opgevoed, mij heeft vastgehouden in dagen die zich herhaalden, die zorg gaf zonder uitleg, die nabij was in wat gedaan moest worden en zwijgzaam bleef in wat niet benoemd werd, in de vragen die niet gesteld werden, in de antwoorden die uitbleven, in blikken die afweken, in gesprekken die ergens halverwege ophielden en niet werden hervat.

En dat mijn negen jaar oudere broer Victor en mijn drie jaar oudere broer Benny niet mijn biologische broers zijn, maar de zonen van JoAnne. Hun plaats in het gezin stond vast, zichtbaar, bevestigd in alles wat verteld kon worden.

Dat na Benny’s geboorte, toen duidelijk werd dat hij het syndroom van Down had, de dagen zich anders gingen ordenen. Er kwam meer zorg, meer regelmaat, meer noodzaak. Wat gedaan moest worden, ging voor op wat gezegd kon worden.

En dat in diezelfde tijd de wens om een dochter te krijgen niet verdween. Zij bleef aanwezig, niet luid, maar vasthoudend.

Adoptie was in die jaren geen onbegaanbare weg. Zij lag open. Via de kerk werden kinderen aangeboden. In de kerkblaadjes stonden kleine advertenties, tussen berichten over diensten en bijeenkomsten. Dun papier, twee keer gevouwen, de inkt licht vervaagd aan de randen. Korte regels tekst, dicht op elkaar gedrukt. Geen namen die bleven hangen, geen herkomst die werd genoemd. Alleen de mededeling dat er een kind was. Dat het wachtte.

Daar, tussen die berichten die na een week weer werden weggegooid, kreeg hun wens een richting. Niet via een omweg, maar langs iets wat voorhanden was, wat gelezen kon worden aan de keukentafel, in het licht van een gewone ochtend.

En ergens, buiten hun blikveld, werd mijn bestaan teruggebracht tot een paar regels. Meer was er niet nodig om mij los te maken van waar ik vandaan kwam. Minder was er ook niet.

Dat mijn wortels elders liggen, in een land waar ik geboren, maar niet gebleven ben, terwijl mijn leven zich hier heeft vastgezet, in Nederland, in taal, in gewoonten, in een toekomst die niet vanzelfsprekend de mijne was.

Misschien voelt Anne niet míj ontbreken, maar de bedding boven mij. Misschien zoekt ze iets wat ik haar niet kan geven zolang ik zelf geen vaste grond heb gekend. Terwijl ik haar vasthoud, begrijp ik dat moederschap soms niet faalt door tekort aan liefde, maar door een geschiedenis die zich niet laat overslaan, een geschiedenis die zich, ondanks alle zorg en nabijheid, doorgeeft in het lichaam, van generatie op generatie.

‘Mag ik je vasthouden?’

‘Heel even,’ zegt ze, bijna verontschuldigend, alsof nabijheid iets is wat je moet doseren.

Ik wieg haar, niet om haar in slaap te krijgen, maar om mezelf te kalmeren en langzaam zakt ze weg. Haar adem verdiept zich, haar gewicht wordt zwaarder in mijn armen, terwijl mijn tranen loslaten, stromen en over haar slaap glijden zonder dat ze het merkt. Ze is al verdwenen naar een plek waar ik haar niet kan volgen. Ik blijf nog even zitten, te lang misschien, bang om de betovering te verbreken, en til haar dan op uit de rieten schommelstoel, haar lichaam warm en slap tegen mijn borst gedrukt, een vertrouwen dat mij tegelijk ontroert en beschuldigt.

Op mijn tenen loop ik over de krakende houten vloer van de bovenste verdieping, elke plank een risico, elke beweging een oefening in terughoudendheid. Ik duw de deur, die al maanden om een nieuwe laag verf vraagt, voorzichtig open en laat haar in haar bed zakken, haar hand nog even in de mijne, tot ook die loslaat.

Daarna val ik naast Robert op het bed. Mijn man. De vader van mijn drie kinderen. Mijn dagelijks leven, mijn veilige gewoonte, mijn tegengewicht. Hij voelt mijn komst, warm, vertrouwd, trekt me half slapend naar zich toe en mompelt iets dat geen woorden meer nodig heeft. Ik krul me op, een oud gebaar, het lichaam weet dit nog. Maar mijn gedachten blijven bij Anne.

Deel 4, Thuiskomen. Hoofdstuk 19, pagina 435 tot 439

De nazomerdagen rijgen zich aaneen, loom, ze houden hun adem in, in afwachting van de Indian Summer. Het licht blijft langer hangen in de kamer, valt zachter op de meubels, op de handen van grootmoeder Beulah wanneer ze zich naar voren buigt.

‘Jammer dat je niet langer wilt blijven, Joyce,’ zegt ze. ‘Maar ik begrijp ook dat het veel is, alles wat zich nu aandient.’ Ze kijkt even naar Anne. ‘Fijn dat je gekomen bent. En dat je je mooie Anne hebt meegenomen.’

Ze pakt een boek van de plank, groot en zwaar, met een omslag die zijn glans heeft verloren. Wanneer ze het openslaat, stijgt er een muffe, stoffige geur op.

‘Hier staan alle vlinders van Canada in,’ zegt ze. ‘Met hun Latijnse namen.’ Ze schuift Anne papier en viltstiften toe.

‘Dank je,’ zegt Anne, al verdiept in de kleuren.

‘Kom, kind, ga zitten.’

Grootmoeder wijst met haar kromme vingers naar de pluchen stoel naast het tafeltje, tegenover haar fauteuil. Het is nog geen anderhalve week geleden dat ik hier zat, met het gevoel dat ik werd aangehoord, bijna op audiëntie was. Mijn woorden van toen waren tastend, voorzichtig, woorden van het niet-weten.

Nu zoekt ze mijn hand. Haar huid is dun, warm.

‘Ik heb je niet alles verteld over mijn leven,’ zegt ze. ‘Dat wil ik nu doen. Jij bent het oudste kleinkind. Er komt een dag dat jij degene bent die de familie bijeenhoudt, die meeneemt naar de PowWow.’ Ze pauzeert even. ‘Ik wil ook dat jij dit verhaal vertelt in Nederland, het oosten. Het land van kolonisten en immigranten.’

Ze schudt langzaam haar hoofd.

‘Ik beschuldig hen niet. Het waren andere tijden. Maar ze moeten het weten.’

Ze wijst naar de deur, alsof wat zij gaat zeggen verder reikt dan deze kamer, verder dan wij drieën.

Grootmoeder haalt diep adem, recht haar rug, en begint te vertellen op de manier die ik herken van Debby en van Chief Caro: zonder haast, zonder omwegen, met een stem die draagt omdat ze niets hoeft te bewijzen.

‘Ik ben geboren in 1925, op de grens van de Verenigde Staten en Canada. We leefden in een reservaat, in een groot houten huis. Mijn moeder, Bella, hield de familie bijeen. Ik was de oudste van vier zussen.’

Ze kijkt even voor zich uit.

‘Ik vermoed dat onze vader van half Britse komaf was,’ zegt ze. ‘Eén van mijn zussen had rood haar. Hij werkte in Alaska, vertelt ze, aan een groot project. Hij had toestemming om de grens over te steken, om door Canada te reizen naar het noorden. Als oudste dochter hielp ik in huis, totdat het moment kwam dat ik buiten het reservaat kon gaan werken, bij een rijk gezin. Het bracht geld in het laatje. Ik kwam af en toe thuis, nam eten mee dat was overgebleven.’

Ze zwijgt even, haar blik rustend op iets dat niet meer in deze kamer is.

‘En ik zag dat mijn moeder steeds magerder werd. Op een dag kwam het bericht dat onze vader in Alaska was overleden. Er werd gesproken over een schadevergoeding, een klein pensioen, ongeveer een derde van wat hij had verdiend. Het was genoeg om niet meteen te verhongeren, maar te weinig om van te leven. De zus onder mij vertrok naar Ontario, waar ze werkte als kindermeisje bij een immigrantengezin.

In die tijd ontmoette ik een jongeman die me vroeg wat ik later wilde worden. Ik antwoordde zonder aarzelen dat ik leerkracht wilde zijn. Pas veel later begreep ik dat hij werkte voor een fonds dat Natives moest laten integreren, zo heette dat toen. Het was beleid, ingesteld onder Roosevelt. Ik zou naar Boston gaan, één dag per week onderwijs volgen en de andere dagen praktijk lopen.

Mijn moeder was trots. Ze hoopte dat ik later in het reservaat zou terugkeren om daar te werken. Onze derde en vierde zus namen intussen meer taken over thuis en volgden onderwijs in het reservaat. Ik deed het goed op school en ik hield van lesgeven, van kinderen die langzaam hun weg vonden in woorden en cijfers. Dat begrijp jij vast wel, Joyce,’ zegt grootmoeder, ‘want jij bent ook docent.’

Ik knik, en ze vertelt verder.

‘Op het internaat waar ik mijn opleiding volgde, ontmoette ik Arthur. Hij studeerde techniek en zat in een hogere klas. Het was liefde op het eerste gezicht, zo eenvoudig kan het zijn. We maakten samen onze school af, maar het was een onrustige tijd. De oorlog begon in het oosten, Europa, en het integratiebeleid, noem het maar segregatiebeleid, kwam onder druk te staan.

Arthur werd opgeroepen voor de luchtmacht. Tijdens de keuring bleek dat hij een hartruis had. Hij mocht niet vliegen, maar kon op de grond van betekenis zijn. Veel van onze medestudenten, aan wie was beloofd dat ze zelf mochten kiezen waar ze zouden werken, werden alsnog ergens geplaatst. Beloften bleken rekbaar.

Toen overleed onze moeder. Polio. In het reservaat was een uitbraak. Ik hoefde niet lang na te denken. Arthur en ik, samen met twee van mijn zussen, zijn gevlucht naar Canada, naar LaSalle in Ontario. Mijn jongste twee zussen vonden daar werk. Ook wij hadden alleen onze Native American cards, maar in die tijd was er werk genoeg.

We woonden bij de ouders van Arthur. Mijn schoonmoeder, LightFeather, was een Squaw Potawani die dertig jaar eerder al uit de Verenigde Staten was gevlucht. Het was, ondanks alles, een goede tijd. Rustiger. Er werd veel verteld.

LightFeather vertelde verhalen, juist omdat ze wist dat in roerige tijden het narratief van de oorspronkelijke bewoners kon dragen, kon genezen. Haar vader, de grootvader van Arthur, was gesneuveld bij de grote tragedie van Wounded Knee. Enkele dagen daarvoor had hij nog een verhaal verteld aan de kleine LightFeather, een verhaal dat bedoeld was voor de zevende generatie.’

Grootmoeder zwijgt even. Ik vermoed dat er een lang verhaal volgt en schenk haar water in. Ze knikt.

‘Je weet dat water vrouwelijk is en vuur mannelijk,’ zegt ze. ‘Ze helpen elkaar.’

Dan kijkt ze me aan.

‘Maar goed, lieve kind, het verhaal gaat zo. Het gaat over het volk van het Zevende Vuur. Vuur heeft voor ons, de Anishinaabe, een diepe betekenis. Het is verbonden met de tijdperken in het leven van ons volk. De vuren verwijzen naar de plaatsen waar we hebben gewoond, naar wat daar is gebeurd en naar de lessen die we hebben geleerd. Het is onze geschiedenis.

De kennisbewaarders van de Anishinaabe, onze geschiedkundigen, Chiefs, de stamoudsten en wijzen, dragen dit verhaal met zich mee, vanaf het allereerste begin, lang vóór de komst van de mensen van buiten, de zaaganaash. Ze dragen ook wat daarna kwam. Want ons verleden,’ zegt grootmoeder, ‘is onvermijdelijk verweven met wat nog komt.’

Ze neemt een adempauze en kijkt van mij naar Anne. Anne glimlacht even, zonder op te kijken, verdiept in haar tekening van vlinders waarvan de vleugels zich langzaam vullen met kleur, alsof ook zij intuïtief begrijpt dat dit verhaal niet alleen wordt verteld, maar ook wordt doorgegeven.

‘In het tijdperk van het Eerste Vuur leefden de Anishinaabe in het land van de dageraad, aan de Atlantische kust, waar de ochtend vroeg over het water gleed en de mensen leerden luisteren naar wat niet werd uitgesproken. Ze ontvingen krachtige spirituele lessen, lessen die niet losstonden van het dagelijks leven, maar erdoorheen liepen, omdat het welzijn van het volk niet te scheiden was van dat van het land, mens en aarde waren één lichaam, één adem.

Maar een profeet voorspelde dat er veranderingen zouden komen die dit evenwicht zouden verstoren. Hij zei dat het volk naar het westen moest trekken, verder landinwaarts, anders zouden ze ten onder gaan aan wat onvermijdelijk was. Ze moesten blijven zoeken tot ze een plek vonden waar het voedsel op het water groeit. Daar zouden ze veilig zijn, daar zouden ze opnieuw kunnen wortelen.

De leiders luisterden. Ze gaven gehoor aan zijn woorden en trokken met het volk langs de St. Lawrence River naar het westen, diep het binnenland in, tot waar nu Montréal ligt. Tijdens die lange tocht droegen ze het vuur met zich mee, in kommen van shkitagen, zorgvuldig bewaakt, zodat de vlam nooit zou doven. En toen ze hun kamp opsloegen, werd het vuur opnieuw aangewakkerd, als teken dat het leven verderging.

Binnen het volk stond een nieuwe leraar op, iemand met een scherpere blik op wat nog voor hen lag. Hij raadde aan om verder te trekken, nog westelijker, naar de oever van een groot meer. Zijn woorden droegen een andere zekerheid in zich en de mensen vertrouwden hem. Hij verkondigde dat met hun aankomst bij Lake Huron, dicht bij het huidige Detroit, de tijd van het Tweede Vuur was aangebroken.

Niet lang daarna splitste het volk zich op in drie groepen, de Ojibwe, de Odawa en de Potawatomi, die elk hun eigen route kozen rond de Grote Meren, niet gedreven door haast, maar door een traag vertrouwen dat er ergens plekken moesten bestaan waar zij konden leven zonder hun oorsprong los te laten. De Potawatomi trokken zuidwaarts, langs de randen van wat nu Michigan heet, verder omlaag tot diep in Wisconsin, waar het landschap opener werd en de seizoenen zich anders lieten voelen.’

Terwijl grootmoeder spreekt, ontvouwt zich onwillekeurig de grote kaart van Ontario in mijn gedachten, die uit het boek dat ik kocht in de Botanical Gardens, en ik knik, niet zozeer om haar gelijk te bevestigen, als wel om haar te laten merken dat ik haar volg, dat ik zie hoe zij haar woorden zorgvuldig neerlegt nu haar kopje thee leeg is en zij mijn aandacht bijna tastbaar voelt.

‘Zoals de grote profeten hadden voorspeld,’ vervolgt ze, haar stem iets lager, ‘verenigden de groepen zich enkele generaties later op Manitoulin Island. Daar sloten zij een verbond, de Confederatie van de Drie Vuren, een afspraak die niet op papier werd vastgelegd maar in verhalen, liederen en gebaren werd doorgegeven, en die, zegt zij met een lichte nadruk, tot op de dag van vandaag voortbestaat.

In de tijd van het Derde Vuur vonden zij de plek waar in de profetie naar werd verwezen, waar het voedsel op het water groeit, en vestigden zich in het land van de wilde rijst, waar de seizoenen het ritme van het leven bepaalden en de oogst nooit losstond van dankbaarheid.’